Hans de Jong (1932-2011), keramist

Eind 2017 publiceerden we een monografie over Hans de Jong, iemand die we als mens én als kunstenaar zeer bewonderen. De publicatie werd gepresenteerd tijdens de opening van een expositie van zijn werk in wat toen nog het Haags Gemeentemuseum heette, tegenwoordig Kunstmuseum. Een tentoonstelling waar we op hadden gehoopt en waarvan we ook zeker wisten dat Hans zelf hier trots op zou zijn. Hieronder de integrale versie van de epiloog van het boek.

Wat bij een beschouwing van ‘vijftig jaar De Jong’ vooral naar voren komt is het ogenschijnlijke gemak waarmee hij zichzelf een plek als kunstenaar heeft weten te verwerven, zonder concessies aan zichzelf te doen en door zijn gevoel en zucht naar vrijheid te volgen. Constant bezig met vernieuwing, leek hij onderweg op een doorlopende ontdekkingstocht binnen het keramisch werkgebied, zowel technisch als thematisch. ‘…Soms, als ik een stuk net af heb, zie ik de volgende variatie al. Zo ontstaan die kleine, geschakeerde series, die ik erg leuk vind te maken…’
Als kunstenaar heeft Hans de Jong een grote indruk achtergelaten. Vanaf de
vroege jaren zestig en zeventig, een tijd van vernieuwing op alle vlakken in de maatschappij en cultuur, volgde hij zijn eigen weg. De weg van een keramisch beeldhouwer, een sculpturaal keramist, maar vooral die van een vakman met een oog voor detail en gevoel voor verhoudingen.
Het is gerechtvaardigd het werk van De Jong enig in zijn soort te noemen. Toch zou het te ver gaan om deze uniekheid als vooropgezet plan te beschouwen. Het geheim ligt veeleer in de manier waarop hij het kunstenaarschap ervoer. De artistieke ontwikkeling van de kunstenaar, uitgaand van een groot talent en een aangeboren affiniteit met mooie dingen, kwam tot stand door de vrijheid die hij zichzelf permitteerde om op zíjn manier om te gaan met de gebeurtenissen en omstandigheden die zich voordeden.


Vanzelfsprekend speelde de gedegen en gepassioneerde opleiding aan het
Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs een belangrijke rol. Een opleiding door het ‘befaamde trio’, zoals hij het noemde: de docenten Wim de Vries, Theo Dobbelmann en Sybren Valkema. De laatste bracht hem de kennis voor de technische kant van het vak bij. In een tijd waarin de keramist zijn glazuren en klei nog zelf moest samenstellen, deed hij dit met liefde en vakmanschap, hoewel het onvoorspelbare van het uiteindelijke resultaat, iets wat werken met klei nu eenmaal met zich meebrengt, hem ook slapeloze nachten zal hebben bezorgd.
De andere twee, De Vries en Dobbelmann, die zeker niet altijd op één lijn zaten wat betreft artistieke visie, brachten hem een bijzondere combinatie van industrieel denken volgens Bauhaus-principes en het streven naar autonoom kunstenaarschap. De ‘vaten’, de bouwstukken voor de talloze dier-, mens- en botanische figuren, waren gebaseerd op geometrische vormen, zoals de veelvuldig gebruikte kubussen en bollen. De, vaak ingekerfde, decoratie, door sommige recensenten weleens aangemerkt als overdadig, diende niet alleen tot verfraaiing en ter ondersteuning van de vorm, maar bracht de vorm tot leven op een zodanige manier dat het resultaat een uniek, autonoom kunstwerk was. In elke fase van zijn werkzame leven, paste hij trouw deze uitgangspunten toe. En als hij ervan afweek, voelde hij de noodzaak uit te leggen waarom hij dit deed. Steeds was hij bezig met het verder uitwerken van oude en nieuwe ideeën, in een constante beweging en met niet aflatende nieuwsgierigheid naar wat er nog ging komen. Van de kleinste details als een sleutelafdruk aan het puntje van een voet, tot een minzame glimlach op het gezicht van een fantasiebeest dat de wereld inkijkt met een eigenwijsheid die niet uitgelegd hoeft te worden. Wellicht nog belangrijker voor de ontwikkeling van de kunstenaar Hans de Jong dan de opleiding, waren zijn creativiteit en intelligentie en zijn aangeboren affectie voor de verbeelding, die hij met name vond in literatuur, het theater en het poppenspel. Iemand beschreef De Jong ooit als een wandelende encyclopedie op het gebied van kunst en theater. Het leek alsof hij alle tentoonstellingen had bezocht en alle voorstellingen die er toe deden had gezien, wat soms ook werkelijk zo was.

Deze passie voor literatuur en theater, is mede wat zijn werk een extra laag
heeft gegeven. Zelf deed hij hier vaak luchtig over, zoals hij op meer gebieden de noodzaak voelde elke schijn van pretentie te weerleggen. Voor zijn publiek was die diepgang echter zeer voelbaar.
Reeds in de vroege jaren in Amsterdam werd het talent van De Jong opgemerkt, getuige de grote schare liefhebbers die zijn werk volgden en zeker ook de grote hoeveelheid artikelen die door recensenten gewijd werden aan zijn werk. Gedurende zijn carrière ontving De Jong meerdere onderscheidingen, die onderstreepten dat zijn werk een brede waardering kreeg. De tijd was er ook naar. De aandacht die de keramische kunst in de jaren zestig kreeg van musea én verzamelaars resulteerde in een grote hoeveelheid aansprekende evenementen. Mede naar aanleiding van de uitdagingen die deze evenementen boden, zagen honderden fantasiebeesten, poppen, vaasobjecten en tegels het licht. De Jong reageerde op de diverse uitdagingen en opdrachten, op zijn geheel eigen wijze: speels, frivool, creatief, maar altijd met een achterliggende gedachte. Op dezelfde manier reageerde hij ook op de veranderende werkomstandigheden, die ontstonden door de verhuizingen naar verschillende locaties in het land. Wellicht dat de drang naar vernieuwing ook een zekere onrust veroorzaakte, waardoor een verandering van omgeving na verloop van
tijd meer noodzaak was dan een toevallige gebeurtenis.
Ongetwijfeld een van de hoogtepunten in de carrière van De Jong was de overzichtstentoonstelling die Boijmans Van Beuningen in 1976 organiseerde onder de titel ‘Van Bakbeesten en Vuurlanders’.
De kunstenaar was inmiddels vanuit het Gooi verhuisd naar Westbeemster.
Hier, mede onder invloed van de polderomgeving met eindeloze vergezichten over weilanden en sloten, verdwenen de beesten en poppen geleidelijk naar de achtergrond. Series schalen, tegels en potten ontstonden, waarbij de schilderachtige decoratie gedaan werd in een tinglazuurtechniek en een nog zelfstandigere rol had dan voorheen, vorm gevend aan horizongezichten, waterlanden en zeeën van gras.

In de jaren tachtig vonden meerdere tentoonstellingen plaats in Duitsland, waar dit werk erg goed werd ontvangen. In Oegstgeest, waar De Jong tussen 1985 en 1990 woonde, ontstond een serie vaasobjecten en plastieken, die weer een volgende stap in de ontwikkeling van de kunstenaar toonde, al is het misschien correcter om te spreken over een zijstap. Voor het eerst ging hij niet meer uit van geometrische basisvormen. Van kleiplaten werden grillige handgevormde objecten gemaakt, beschilderd met een penseel in zachte aardtinten. Werk dat door buitenstaanders niet direct herkend zal worden als van zijn hand, maar tegelijkertijd zo krachtig dat het zichzelf moeiteloos staande houdt.
De jaren negentig in Rheden grepen thematisch terug op de jaren zestig en
zeventig, met poppen en beesten die veelal hun inspiratie in literaire onderwerpen vonden. De cirkel was rond. Hoewel de hoeveelheid kunstwerken in de laatste werkzame jaren beperkter was, tonen de objecten een serene volwassenheid, zowel technisch als thematisch.

Hans de Jong overleed op 11 maart 2011.