Henny Radijs (1915-1991)

In 2009 kregen we de kans om een aanzienlijke hoeveelheid keramiek en andere kunstobjecten uit de nalatenschap van Henny Radijs toe te voegen aan onze collectie. Naast meer dan 250 stukken van de hand van de keramiste zelf, bevatte de partij ook werk van Jan van der Vaart, met wie zij een innige vriendschap onderhield sinds eind jaren ’50, Etie van Rees, Hilbert Boxem en natuurlijk Johannes Andrée, haar ‘mentor’ in vroegere dagen.

Een van de bijzondere stukken was een vroege vaas uit 1958, gedraaid door Jan van der Vaart en gedecoreerd door Herman Gordijn, in wiens atelier Van der Vaart zijn vroege werk etaleerde, met als onderschrift: “voor Henny en Olga, april 1956. Door Hergordijn”

Geïnspireerd door de omvang en de kwaliteit van de collectie, besloten we in samenwerking met de eigenaar van de collectie een korte monografie over Radijs te schrijven. Op basis van twee mappen ontstond in een kleine drie weken een leuk overzicht van haar leven, haar leven met Olga Oderkerk, haar vriendschappen met Jan van der Vaart, Andrée, haar relatie met de Rotterdamse Kunstkring (met onder meer Jaap Kraanen, Paul Suurland, Jan Wijsbroek, Ru de Gier, Jaap Visser), uiteraard met veel foto’s van objecten uit de collectie. Het boekje is nog te koop (€ 10,-). Als u interesse hebt, laat het ons dan weten via onze Facebookpagina.

Naar aanleiding van het verschijnen van de monografie, publiceerden we in maart 2009 een artikel in tijdschrift Collect over de kunstenares. Hieronder de tekst van dit artikel.

Henny Radijs (1915-1991), van pottenbakster naar kunstenares

In de 20e eeuw heeft zich in Nederland, net als elders in Europa, een aantal indrukwekkende ontwikkelingen afgespeeld binnen de keramiek. De lijst namen van kunstenaars die een vermeldenswaardig stempel hebben kunnen drukken op deze ontwikkelingen, is lang. Toch zijn veel van de namen vergeten of in de marge terechtgekomen. Henny Radijs is een van die ‘vergeten’ kunstenaars. In dit artikel wordt een kort beeld geschetst van haar leven en werk en haar plaats binnen de geschiedenis van de Nederlandse keramiek.

Academie voor Beeldende Kunsten
Janna Hendrika Radijs werd geboren in Rotterdam, op 23 maart 1915. Na haar H.B.S., ging ze aan de slag als rijkstelefoniste.
In de jaren ’30 leerde ze Johannes Henricus Andrée (1882-1961) kennen, een van de beste kunstpottenbakkers die Nederland rijk is geweest. In 1939 kreeg zij lessen van hem op de pottenbakkersschijf. Hij was zo onder de indruk van haar talent, dat hij haar overtuigde het vak verder te gaan leren: “…Kind, neem een goeie raad aan, studeer en word pottenbakster…”. In 1942 begon ze aan de studie op de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam. Ze kreeg daar les van Gerrit de Blanken en H.W. Mauser jr.
In 1945 betrok ze een pand aan de Wijdesteeg in Delfshaven, Rotterdam, waar ze in 1949 officieel een pottenbakkersbedrijf startte. Op de academie had ze Olga Oderkerk (1924-1987) leren kennen. In 1953 kwam deze bij Henny werken en wonen. Vanaf 1954 had Olga een eigen atelier aan de overkant, dat in de praktijk alleen gebruikt werd als expositieruimte.

1949-1964 Rotterdam
Henny Radijs ontpopte zich als een rasechte pottenbakster.
Haar uitgangspunt was dat de decoratie nooit de overhand mocht nemen ten opzichte van de vorm en de functie van het aardewerk. “Een pot of vaas moet zelf spreken door de eerlijke vormen, men mag er toch werkelijk geen schilderij van maken door allerlei poespas, die erop aangebracht wordt.” Toch mag zij met recht vooruitstrevend worden genoemd op het gebied van decoratie op haar keramische werk. Waar Dirk Hubers algemeen wordt beschouwd als de eerste die, eind jaren ‘40 van de 20e eeuw, thema’s uit de beeldende kunst gebruikte in de decoratie op zijn potten en schalen, was Henny Radijs hier (onafhankelijk van eerdergenoemde), niet veel later mee. Ongetwijfeld speelde het feit dat ze zich in Rotterdam te midden van een groep schilders en beeldhouwers bewoog, met wie zij deels de opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten had gevolgd, hier in belangrijke mate een rol bij.

In de jaren ’50 maakte Henny snel naam als pottenbakster in Rotterdam. Ze kreeg veel opdrachten van particulieren die iets bijzonders wilden en van bedrijven. Bekend zijn de potjes die ze in 1958 ontwierp voor het Historisch museum in Rotterdam. Ook ontwierp ze een tegeltableau voor het Zuiderziekenhuis, dat ze samen met Olga Oderkerk uitvoerde. Daarnaast nam ze deel aan veel tentoonstellingen (ondermeer via de Rotterdamse Kunststichting die na de oorlog was opgericht om de kunstenaars in Rotterdam te stimuleren en ondersteunen) en werd ze uitgezonden naar de Expo ’58 in Brussel.
Een geheel eigen plek binnen het oeuvre van Henny Radijs hebben de miniatuurtjes. Op advies van Andrée (“Koop niet bij de maat, Draai niet bij de maat, Maar maakt mooie, Kleine edele potjes”) begon ze die al vroeg te maken. Tot aan het eind van haar werkzame leven heeft ze vele duizenden van dit soort vaasjes tussen de 2 en de 6 cm. gedraaid. Gedurende haar hele carrière zorgden deze voor een min of meer stabiele bron van inkomsten.

Aan het begin van de jaren ’60 verschoof de decoratie, waar zij naam mee had gemaakt, naar de achtergrond. Heel kenmerkend voor deze periode zijn de matte glazuren in groen-, bruin- en blauwtinten, waarbij de binnenkant van de objecten vaak een glanzend glazuur heeft. De vorm staat centraal en het overige is hier zonder pardon aan ondergeschikt gemaakt. Een zekere verwantschap met de Engelse keramiek van de periode is hierin zeker te herkennen.

Begin jaren ’60 ontstond een probleem met de beschikbare ruime: de ateliers aan de Wijdesteeg en de Aelbrechtskolk waren in slechte conditie en hadden een groot gebrek aan extra ruimte, die wel nodig was. Uiteindelijk vonden Henny en Olga een geschikte plek in Brielle, waar ze het voormalige kadaster aantroffen.
De productie in deze periode was feitelijk een voortzetting van die van de laatste periode in Rotterdam. Aan het eind van de jaren ’60 worden de stukken minder sober en wordt veelal een subtiele lijn- of blokdecoratie toegepast.

In de jaren ’70 werd deze trend, althans waar het haar ‘potterie’ betrof, doorgezet en werden langzamerhand de vormen ook iets verfijnder.
In 1970 vertrok Henny naar Amsterdam, waar zij een eigen atelier betrok. Olga keerde terug naar Rotterdam.
In Amsterdam begon Henny aan een nieuwe uitdaging. Kort na haar vestiging in Amsterdam, maakte Henny Radijs haar eerste plastieken.

De belangrijkste reden dat zij juist op dit moment die ontwikkeling doormaakte, moet zijn geweest de omgeving waar zij in terecht kwam. In Amsterdam e.o. immers timmerde een jongere generatie keramisten als Jan de Rooden, Johnny Rolf, Helly Oestreicher, Jan van der Vaart, Marianna Franken, Johan van Loon, Sonja Landweer,Hans de Jong, Hilbert Boxem en Adriana Baarspul, reeds een flink aantal jaren succesvol aan de weg. In het bijzonder de vriendschap met Jan van der Vaart, die algemeen wordt beschouwd als grondlegger van de abstract-geometrische richting binnen de Nederlandse keramische kunst (cf. Mieke Spruit-Ledeboer, Nederlandse Keramiek 1900-1975), zal in grote mate hebben meegespeeld. Kort gezegd gaat de abstract-geometrische richting uit van de wiskundige vorm als basis voor het object. Bij Van der Vaart en anderen leidde dit in eerste instantie tot de vaasplastiek en in een later stadium tot de vrije plastiek.
Henny Radijs maakte een flink aantal monumentale stukken die binnen de genoemde richting geplaatst kunnen worden.

Gedurende de jaren ’70 bleef zij echter ook trouw aan de potterie. Aan figuratief, anekdotisch werk, dat met name in de jaren ’60 erg in trek kwam (Etie van Rees, Lies Cosijn, Hans de Jong), heeft zij zich nooit gewaagd, waarschijnlijk ook omdat dit niet in haar karakter lag.
Haar laatst bekende werk is een ronde Nieuwjaarstegel uit 1982. Henny Radijs bracht de laatste jaren van haar leven door in een verzorgingshuis in Amsterdam, waar zij in 1991 overleed.

Henny Radijs was zeker een van de toonaangevende keramisten binnen de Nederlandse keramiek van de tweede helft van de 20e eeuw. Mede door het feit dat zij al haar werk voluit signeerde, is haar naam bekend bij vrijwel elke liefhebber van keramiek van deze periode.
Desondanks is zij als kunstenares in de vergetelheid geraakt.
Als pionier in de jaren ’50, hard werkende pottenbakster in de jaren ’60 en keramisch kunstenares in de jaren ’70 heeft zij een belangrijke bijdrage geleverd aan de keramische erfenis van de 20e eeuw.
Zoetermeer, maart 2009